Schaam je

Print dit verhaaltje Print dit verhaaltje
Joost voelde het gewoon: er was iets bijzonders aan de hand. Na het avondeten ging moeder niet meteen de hond uit laten en vader liep zomaar van tafel, zonder te gaan afruimen. “Kom eens mee” zei hij tegen Joost en Astrid. “We moeten jullie wat vertellen”.

Joost voelde het aan: er was echt iets bijzonders aan de hand, iets plezierigs bijzonders.

Aan tafel was het hem al opgevallen: de stem van vader leek wat luider en hij lachte ook wat meer als anders. Moeder had een rood hoofd, alsof ze te hard had gelopen met de hond.

Ze lachte naar papa en mopperde helemaal niet toen Joost een beker water omgooide over het tafellaken.

Joost voelde dat er iets heel bijzonders ging gebeuren: zou er een nieuw broertje of zusje komen? Dat is natuurlijk wel leuk maar niet iets wat op het verlanglijstje van Joost stond. Zouden ze een hond krijgen of een konijn? Dat wilde hij allang en graag.

“ Ga zitten allemaal” zei vader. “Nu moeder, zeg het maar”.

Moeder haar ogen schitterden en ze zei: “kinderen wij gaan naar een vrijstaande woning”.

Stil was het en ze keek Joost en Astrid aan. Er gebeurde niks. Joost en Astrid keken elkaar aan met een blik van: snap jij daar iets van? Toen keken ze weer naar vader en moeder.

“Wat is dat, een vrijstaande woning?” zei Joost. “Ja, wat is dat eigenlijk” zei Astrid.

“Dat is een huis, waar je omheen kunt lopen, om je eigen huis, zo vrij als een vogeltje, die grond is van jezelf, je hoeft niet met de fietsen naar de berging onder de flat, je kunt lekker buiten eten in de tuin en er staat een grote appelboom in de tuin…..”. Vader en moeder konden niet meer ophouden.

“Ho, wacht eens even”, zei Joost. “wacht eens: we gaan dus naar een huis, gewoon in een straat met een tuin aan alle kanten van het huis en niet meer op een flat”?

“Je begrijpt het helemaal, ik wist wel dat je een slimme jongen was”, riep vader vrolijk.

“Dus”, zei Astrid, “dan gaan we verhuizen”!

“Juustem”, zei moeder, “dat bedoel ik maar”.

Joost en Astrid vlogen overeind: “Hoi, hoi, hoi”, riepen ze en dansten in het rond. “We gaan naar een huis met een tuin en een schommel en verstoppertje en hardlopen om ons huis want we krijgen een, uh, uh…..”. “Vrijstaande woning”, zeiden pa en ma tegelijk.

“Zo en waar is die vrijstaande woning” zei Joost?

“Oh, die staat in de Batjesstraat”, vertelde vader.

Alle moppen, dat is de straat waar Lientje woont, het meisje dat Joost zo leuk vindt. Da’s boffen denkt hij, dan kan hij fijn gaan spelen met haar en verstoppertje en om het huis heen rennen.

En zo kwam het dat de familie ging verhuizen naar de vrijstaande woning in de Batjessstraat. Dat gebeurde lange tijd later, wel drie maanden later. Op een mooie dag in de vakantie. Vroeg stonden ze op.

“Kinderen dit wordt een heel bijzondere dag”, zei vader. Ik ben zo blij dat we naar onze vrijstaande woning in de Batjesstraat gaan, dat ik wel kan dansen en zingen. En meteen begon hij in zijn pyjama rare passen te maken terwijl hij dingen riep en zong als: “dan dans ik de bosstella, ja dan dans ik de bosstella”. Joost dacht: gelukkig dat mijn vriendjes het niet zien, ziet er wel wat maf uit, hoor.

Alles, maar dan ook alles moest ingepakt worden in de dozen van “Vlotweg”, de verhuizer.

De boeken, de poppen, de pannen, de computer……

Maar, niet alles paste in de verhuisdozen: de fietsen, de piano, de keukentrap, Dat werd gewoon zo in de verhuiswagen gezet.

Eindelijk was alles klaar, nou ja, alles zat in de verhuiswagen behalve de fiets van papa, die kon er echt niet meer in.

Gaan jullie maar vast met de verhuisauto mee, ik fiets wel even, het is vlakbij.

Daar gingen ze in die grote vrachtwagen naar de Batjesstraat en ja hoor daar stond Lientje ook al op de uitkijk toen ze de Batjes straat inreden: ze zwaaide naar hem.

De verhuiswagen stopte en moeder, Astrid en Joost stapten uit.

Joost keek eens om zich heen, naar de huizen aan de overkant. Die mensen waren ook nieuwsgierig en stonden achter de ramen te kijken.

En toen gebeurde het: Vader kwam de straat in rijden op zijn fiets. Niet op een gewone fiets. Hij had zijn fiets versierd met oranje slingers, hij had een feestmuts op zijn hoofd, hij slingerde met zijn fiets van links naar rechts over de straat en zong uit volle borst: “Ik ben vandaag zo happy, zo happy zo happy, zo happy als vandaag was ik nog nooit, lalalalala” en zo verder.

Het zag er idioot uit. Het zag er meer dan idioot uit! Alle buren kwamen naar buiten om dat aan te zien!

Joost voelde zich bijna flauwvallen: zijn vader die daar als een clown door de straat reed, wat zou Lientje daar wel niet van vinden, Joost schaamde zich dood. Hij moest zich schamen, zijn vader!

Stilletjes liep hij naar binnen. Daar hoorde hij vader met hoge stem roepen: “Ja mensen, we gaan hier wonen, ik nodig jullie uit om vanavond met ons feest te vieren in onze tuin”!

Joost hoopte dat Lientje dat maar niet gehoord had.

Die avond, toen het huis al aardig ingericht was, kwamen de buren op visite in de tuin. Het was gezellig, er werd gelachen en iedereen had plezier. Het waren vast en zeker leuke buren.

En Lientje was er ook, met haar vader en moeder.

Toen ze even rondliepen met z’n tweeën, Joost en Lientje, zei Joost:

“Heb je mijn vader gezien, met die fiets?” “Och”, zei Lientje, “da’s nog niks, dan ken je mijn vader nog niet, die zou zich pas moeten schamen: die kwam laatst op mijn feestje met de taart op zijn hoofd binnenwandelen en wat later ging hij ook nog zogenaamd dansen. Ik dacht dat ik niet goed werd”.

Joost zweeg en zei toen: “nou een vrijstaande woning is niet gek, een andere vader soms ook niet”!

En, kinderen, zo zie je maar weer, het is rot, maar soms schaam je je voor je eigen vader of moeder gewoonweg kapot!

– NvE 2008