Freekje en het roodborstje

Print dit verhaaltje Print dit verhaaltje
Het was zondag toen Freekje geboren werd. En het was ook werkelijk een zonnige-dag zoals die hoort te zijn: de zon scheen lekker en iedereen was blij. Vooral zijn vader en zijn moeder waren erg blij met het nieuwe kindje. “Hij is leuk” zei zijn vader. “Hij is lief” zei zijn moeder. Nu en dat was hij, leuk en lief. Hij lachte al toen hij zeven dagen oud was en iedereen lachte terug naar hem. Zo werd Freekje een jongetje waar iedereen dol op was. Maar dat was nog niet alles: het was ook een slim ventje, die al gauw in 7 talen kon zeggen: hoe gaat het met je? En dan zat hij nog niet eens op school. Freekje wilde alles leren en vooral weten waarom de dingen zo waren zoals ze waren. Toen hij later naar de basisschool ging kreeg hij al gauw veel vriendjes en vriendinnetjes. Dat kwam gewoon omdat hij aardig was, andere kinderen hielp als dat nodig was, zijn huiswerk altijd af had en nog mooi kon tekenen ook. Hij was ook goed in gymnastiek en bij wedstrijdjes hardlopen kon hij met gemak van zijn vriendjes winnen, maar dat deed hij nooit. Hij vond het veel te leuk om even in te houden met hardlopen en andere kinderen te laten winnen. “Tweedes of derdes is ook wel goed”, zei Freekje lachend. En als het herfst was en de kinderen kastanjes gingen zoeken bij de bomen bij het kasteeltje, zei hij altijd: “laat er maar een paar liggen voor andere kinderen, dat is wel zo leuk voor ze”.

Freek je werd Freek en een kind om van te houden. Maar waar hield Freek nu eigenlijk zelf het meeste van? Je raadt het nooit: van schaatsen, het liefste op de Kraatsvijver. Maar ja, dat gebeurde niet zo vaak dat het ijs daar sterk genoeg was. Totdat, ja, totdat zo’n veertien dagen geleden hij ’s ochtends wakker werd: “Pap, kom eens kijken, het is helemaal wit buiten, zou het gevroren hebben?” En ja hoor het was heel koud buiten en dat was het ook de dagen daarna. Het vroor behoorlijk ook overdag. “Ik denk dat we zaterdag wel op de schaats kunnen””, zei vader. “Ik heb gezien dat we hier in de buurt een mooie tocht kunnen maken. Zullen we het doen?”

“Hoi, hoi” riep Freek, “ja dat doen we. Zou er ook een medaille te verdienen zijn pap?” “Jazeker” zei vader, “dat heb ik gelezen dat dat zo is”.

En zo gingen ze die zaterdagochtend beginnen aan de tocht. Freek genoot en schaatsen kon hij natuurlijk heel behoorlijk. Maar toen, toen gebeurde het, ach wat jammer. Freek wilde pootje-over maken, gleed uit en smakte tegen het ijs. Meteen was papa bij hem maar Freek kon niet meer opstaan: zijn been was gebroken.

Hij hield zich flink, maar het deed erg zeer. Nou ja de rest kun je wel raden. Freek belandde in de ziekenauto, toen naar het ziekenhuis en na een uur of wat zat Freek stilletjes thuis in een stoel met een wit gipsen been. Naast zijn stoel stonden twee krukken. Het was een lelijke breuk had de dokter in het ziekenhuis gezegd. “Reken er maar op dat je hier wel een week of zes mee zoet bent, als alles mee zit”.

Nou dat zat het niet, voor de eerste keer in het leven van Freek liep alles mis: geen medaille en zijn gebroken been wilde niet snel beter worden. Naar school kon hij niet, buitenspelen al helemaal niet. Eerst kwamen zijn vriendjes nog wel langs met lekkers en huiswerk. Maar veel had hij niet aan ze; ze zeiden ook van die dingen als “had je niet beter hier op de vijver kunnen blijven?” en “pootje-over is ook wel erg moeilijk hoor, dat kunnen niet alle mensen”. En toen ze in de gaten hadden dat hij niet meer buiten kon spelen waren ze maar weggebleven.

Freek was onze Freek niet meer: stilletjes zat hij wat voor zich uit te kijken. Hij was ook boos op zijn papa: “waarom moesten we persé die tocht maken? Wat moet ik nu zo zonder school en mijn vriendjes. Was ik er maar nooit aan begonnen. Rot papa!” Freek je begon erg te huilen en later, toen dat over was, zat hij weer stil naar buiten te kijken.

Wat hij niet zag was dat het zachtjes ging sneeuwen, eerst vlokje voor vlokje en dan steeds meer, het leek wel een sneeuwstorm. De bomen werden wit als de kanten blouse van moeder, de daken leken wel op de bergen in de sneeuw. Freek zag dat niet. Freek wist dat niet. Freek wilde dat niet zien en wilde het ook niet weten.

Plotseling werd er aan het raam getikt en Freek moest nu wel opkijken. Eerst zag hij niks, omdat hij ook niks wilde zien. Toen zag hij een klein vogeltje: een roodborstje. Ja, dat zijn van die vogeltjes die dat doen.

“Hé die Freek, is de lol er af?” sprak het vogeltje. “Je was toch zo’n jongetje die alles wilde leren? Weet jij wel waarom ik een rood borstje heb en aan de ramen tik. Weet jij wel waarom het sneeuwt en hoe dat komt en waarom sneeuw wit is? Nee hѐ, dat weet jij niet. Jij wil hier liever een beetje zielig zitten zijn met je krukken en je witte been. Weet je wat je moet doen? Gewoon wat gaan doen in plaats van hier maar wat te zitten. Daar knap je van op, daar word je beter van”. En weg was het vogeltje.

Freek je schoot overeind, rechtop in zijn stoel. Eerst was hij erg geschrokken. Maar het roodborstje had eigenlijk wel gelijk. Hij wreef eens goed in zijn ogen om wakker te worden in zijn hoofd en begon te denken. Hij bedacht een plan, iets wat hij ging doen. Hij voelde zich meteen al veel beter. En toen zijn moeder van het werk thuis kwam zei Freek: ”Mam kun jij mij wat karton brengen, ik heb zin om vogels te maken en te versieren. En als ik weer naar school ga wil ik een spreekbeurt doen over “De roodborstjes, hoe ze leven en wat ze doen” of over “hoe het komt dat het sneeuwt”. Misschien is er een boek over in de bibliotheek”.

“Dat lijkt me een reuze idee” zei mama. Toen papa het hoorde vond hij het ook een goed plan. “Sorry pap dat ik zo lelijk tegen je deed”. “Geeft niet kind, soms loopt het ook wel erg tegen in een mens zijn leven”.

“Je bedoelt, het schaatst wat tegen” zei Freek vrolijk. En zijn been? Daar ging het van toen af aan ook beter mee. En de spreekbeurt over de roodborstjes? Die lukte ook goed. En zo werd Freek weer de Freek zoals we die kenden: een kind om veel van te houden!