De verhuiswagen

Print dit verhaaltje Print dit verhaaltje
“Kijk” zegt Joost, dat is een vrachtwagen van PASSIES”. “Wat zeg je”, vraagt Bram, “waar heb je het over”? De twee jongens lopen samen van school naar huis. Ze lopen precies over de trottoirband. Dat doen ze wel vaker, dat is leuk. Ze doen dan wie dat langst kan zonder er af te vallen.

En net toen ze dat deden, kwam er een grote rode vrachtwagen voorbij, van PASSIES.

“Wat bedoel je nou eigenlijk”, zegt Bram, “wat is er met die vrachtauto”?
“Dat is een verhuiswagen, er staat PASSIES op de zijkant”, antwoord Joost.
“Kun jij dat al lezen” vraagt Bram. “We zitten nog maar drie maanden in groep 3, mij lukt dat nog niet”.
“Nou nee, eigenlijk kan ik dat ook niet lezen, maar toch weet ik dat. Je hebt hier twee verhuizers, Waayenberg en PASSIES en ik denk dat het PASSIES is geweest die Pieter heeft verhuisd. Die verhuiswagens van Passies zijn rood en Pieter zijn lievelingskleur is rood. Dus dat moet wel kloppen”.
“Pieter was je vriendje hè” zegt Bram.

Even zegt Joost niks en kijkt hij wat stil voor zich uit.
“Die Pieter kon van alles”, zegt Joost dan. “Hij kon wel vijf minuten zijn adem inhouden onder water in het zwembad. En hij kon fietsen met losse handen. Hij heeft wel eens twee borden patat achterelkaar opgegeten. Je kon heel veel lol met hem hebben”.
“Zie je hem nog wel eens?”
“Nee”.
“Nou dan bel je hem toch?”
“Ik weet zijn nummer niet”.
“Nou dan stuur je hem toch een mooie kaart en vraag je zijn telefoonnummer?”
“Heb zijn adres niet”, zegt Joost zachtjes, “dat is heel jammer, echt jammer”.

Pieter en Joost waren dikke vrienden. Toen het zomervakantie werd, kon Joost niet weten wat voor ergs er zou gebeuren. Want toen die lange zomervakantie voorbij was en Joost voor de eerste keer naar groep 3 ging, gebeurde er iets dat hij maar moeilijk kon geloven: Pieter was er niet, hij was er echt niet en hij kwam ook niet.

Joost kon het niet geloven. Ze hadden nog wel afgesproken dat ze bij elkaar aan een tafeltje zouden gaan zitten. Eerst dacht Joost nog dat hij misschien ziek was. Maar dat was niet zo. Toen ze allemaal zaten zei de juf: “Oh, dan nog even dit, Pieter is verhuisd naar Den Haag. Dus die zit nu lekker dicht bij zee, wat een bofferd hè?”.

Joost voelde alles draaien toen de juf dat zei, alsof hij misselijk werd. Pieter weg, hoe had hij dat nou kunnen doen!

Tussen de middag liep hij naar huis. Thuis vroeg vader; “Hoe was het?”.
“Ik weet het niet zo”, zei Joost.
“Naast wie zit je?”
“Naast Bram”
“En ik dacht dat je naast Pieter wilde zitten”.
“Pieter is er niet meer”, zei Joost.

En meteen rende hij de kamer uit, de trap op naar boven naar zijn kamertje en trok de deur achter zich dicht. Zijn hoofd bonkte. Hij voelde dat hij ging huilen. Gauw ging hij bij het raam staan en keek naar de toren in de verte en probeerde te kijken hoe laat het was. Hij móest gewoon aan iets anders denken anders zou hij gaan huilen.

Wat later kwam zijn vader het kamertje binnen.
“Wat naar voor je. Is hij soms verhuisd?”
“Ja, en ik zie hem nooit weer”.
Joost moest toen wel erg huilen ook al had hij geprobeerd het niet te doen.
Vader ging naast hem staan en sloeg de arm om hem heen.
“We gaan op school vragen of ze het adres hebben”, zei vader.
Maar op school wisten ze van niks.
“Dan gaan we naar de verhuizers: Waayenberg en PASSIES”, zei vader, “die weten misschien wat”.
Maar die wisten ook van niks. Joost was mee geweest en zo wist Joost dat die verhuiswagens van PASSIES rood waren en die van Waayenberg niet.

En zo kwam het dat Joost weer aan Pieter moest denken toen hij die verhuiswagen van PASSIES zag toen hij met Bram uit school naar huis toe liep.

“En weet je wat het allermooiste was van Pieter”, zie Joost tegen Bram. “Pieter durfde alles. Een keer zei ik tegen hem dat hij niet in zijn blote kont een rondje op zijn fiets door de straat durfde te zijden”. “O nee?”, zei hij. “Toen deed hij het toch. En hij durfde ook de hond van Jansen te aaien, Je weet wel, die chagrijnige Chow Chow. Maar het fijnste was dat je zo leuk met hem kon spelen. Als we met de Lego speelden maakte hij van die grappige geluiden van een brandweerauto of een vliegtuig”. Hij zei altijd: “Hé Joopie, wat gaan we doen en hij liep altijd met me mee en hij lachte om mijn grappen”.
“Je mist hem wel erg hè, je vriend”, zei Bram. Joost knikte.

“Weet je wat we gaan doen”, zei Bram, “als we thuis zijn gaan we verhuizertje spelen. Ik heb nog een karretje en dan doen we alsof jij bij mij komt wonen of andersom. Oké?”.
“Doen we” zei Joost en dacht “Bram lijkt op Pieter maar dan anders. Volgens mij is hij ook mijn vriend”.

Snel liepen ze door en bedachten wat ze allemaal mee zouden nemen bij het verhuizertje spelen. Het werd een fijne middag.